Er is een kleine nis op DePaul University. Het verbergt zich aan de oostkant van de Quad. Gelegen tussen de John T. Richardson Library, die zware bakstenen monoliet, en het Schmidt Academic Center, wacht het.

De campuskaart noemt het St. Vincent’s Circle. De studenten zeggen alleen maar Vinny’s. Vinny’s. Alsof je hem kent. Alsof hij je geld schuldig is.

Brons domineert de ruimte. St. Vincent de Paul zit daar. Niet oordelend, niet in stilte biddend, maar middengesprek met twee eveneens in brons gegoten studenten. Een bevroren chat die eeuwig heeft geduurd.

Voor hen ligt een stenen ring. Het logo van DePaul staat in het midden, omringd door drie zware woorden. GEMEENSCHAP. WAARDIGHEID. ONDERWIJS. Grote woorden voor een klein plekje.

De architectuur werkt je hier tegen. Drie zijden zijn omgeven door muren. Hierdoor ontstaat een akoestische val. Als je bovenop dat universiteitslogo gaat staan ​​en spreekt, kaatst je stem naar je terug. Luidruchtig. Duidelijk. Onvermijdelijk.

Waarom zou je dit doen?

Misschien ben je dronken. Misschien ben je gestresseerd. Of misschien geloof je in de plaatselijke overlevering, die zegt dat dit een echokamer is voor wensen. Studenten sluipen ‘s nachts binnen. Ze staan ​​op de steen. Ze schreeuwen in de leegte.

“Krijg een A.”

“Vind liefde.”

“Laat mij de finale halen.”

Ze zeggen dat als de muren luid genoeg terugschreeuwen, de wens misschien wel blijft hangen.

Of Vinny luistert is een andere zaak.